Ganzenpas

De ganzen staan soms op de weg en meestal zitten ze in de berm. Altijd met z’n vieren, soms eentje los van het kwartet, soms twee aan twee. Een enkele keer zitten ze gewoon midden op de weg, alsof dat is wat ze de hele dag al doen: daar zitten, meer niet.

Prima natuurlijk. Maar ook wonderlijk. Er lopen, fietsen en scooteren heel wat mensen langs. De hele dag door. Soms een auto. Bestemmingsverkeer. Veel joggers ook. Als je dat zo nog noemt, of is dat te jaren 80? Wat is het dan tegenwoordig? Hardlopen? Rennen? Als een volslagen idioot je hart naar de klote helpen? Want dat is het in mijn optiek. Ooit las ik eens dat ieder lichaam gewoon een bepaalde houdbaarheidsdatum heeft. Zoveel harslagen, zeg maar. Tenminste, als je niet voor die tijd dood gaat aan een overdosis geluk of iets anders wat de boel wat dat betreft ontwricht.

Ganzen dus. Ik zie ze minstens twee keer per week en ik vraag mij af of zij mij ook twee keer per week zien. Als in: hé, daar gaat ie weer, dat mens op die fiets. Altijd alleen trappend en zwoegend. Eerst wind mee en dan straks wind tegen. Kijk, daar gaat ie. Met z’n beentjes en zijn hoofd en zijn pezige lichaampje. Kom, dan waggelen wij nog een klein stukje die kant op.